NICE-nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

 

Lentestudiedag VBVD: boeiende topics in een notendop

Lentestudiedag VBVD: boeiende topics in een notendop
26-04-2018

Op donderdag 19 april werd de jaarlijkse voorjaarsstudiedag georganiseerd door de Vlaamse Beroepsvereniging van Diëtisten (VBVD) in hartje Antwerpen. De studiedag stond in het teken van diabetes mellitus en recente inzichten in koolhydraten, eiwitten en vetten in de voeding. We serveren u de meest interessante topics in een notendop.

Belang van vroegtijdige diagnose van diabetes ter preventie van complicaties

Diabetes mellitus is een aandoening die steeds meer voorkomt. Naar schatting lijden 1 op 12 Belgen aan diabetes waarvan 90 tot 95% aan type 2 en 5 tot 10% aan type 1. Prof. dr. Joeri Pen, kliniekhoofd Diabeteskliniek UZ Brussel, benadrukte dat diabetes geen onschuldige aandoening is en verder gaat dan enkel ‘te veel suiker hebben in het bloed’. De acute en chronische complicaties zijn niet te onderschatten. Zij kunnen een ernstige invloed hebben op het lichaam en de levenskwaliteit. Een vroegtijdige opsporing van een verhoogd bloedsuikergehalte en die vervolgens zo snel mogelijk corrigeren is van cruciaal belang. Zeker ook bij geriatrische patiënten. Voor hen kan een tijdige diagnose en behandeling het verschil maken tussen ‘thuis zelfstandig wonen’, ‘thuis met hulp wonen’ of in ‘een rust- en verzorgingstehuis worden opgenomen’. Dankzij  een goed screeningsbeleid van risicopatiënten, kan de diagnose op tijd worden gesteld. In de diabeteskliniek van het UZ Brussel wordt een screeningsrichtlijn toegepast, gebaseerd op richtlijnen van de American Diabetes Association.
De screeningsfrequentie houdt rekening met leeftijd en risicofactoren, zoals fysieke inactiviteit, eerstegraadsverwantschap, etniciteit, zwangerschapsdiabetes, gestoorde vastenglycemie en insulineresistentie.

Voeding en beweging zijn cruciaal in de behandeling van diabetes mellitus

De behandeling van diabetes bestaat uit medicatie, beweging, voeding en educatie. Medicatie zorgt niet alleen voor de stabilisatie van de bloedglucose maar draagt ook bij tot de behandeling van vasculaire en niet-vasculaire ziekten. Bij een verhoogd lichaamsgewicht wordt ook gestreefd naar gewichtsverlies. Gewichtsverlies kan ertoe bijdragen dat patiënten de medicatie kunnen verminderen of zelfs stopzetten. Dr. Jan-Willem van Dijk,  bewegings- en voedingswetenschapper, liet zien hoe belangrijk beweging is in de regulatie van de bloedglucose. Uit eigen onderzoek stelde hij vast dat fysieke activiteit een positief effect heeft op de stijging van de bloedglucose na een maaltijd. Uit ander onderzoek blijkt dat een onderbreking van langdurig stilzitten zorgt voor een acute verbetering in de regulatie van de bloedglucose bij type 2 diabetes. Het effect van fysieke inspanning op de regulatie van de bloedglucose is tweeledig. Tijdens fysieke inspanning wordt de insuline-onafhankelijke glucose-opname gestimuleerd, terwijl de periode na fysieke inspanning wordt gekarakteriseerd door een verhoogde gevoeligheid voor insuline.

Voedingsinterventies voor gewichtsverlies

Verschillende voedingsinterventies kunnen tot gewichtsverlies leiden. Nina Van Den Broecke, docent Odissee Hogeschool Gent, zette de recente wetenschappelijke inzichten over proteïnediëten en koolhydraatarme voedingen op een rij. Proteïnediëten worden gedefinieerd als energiebeperkte diëten met behoud van eiwitten en het gebruik van ‘eiwitpreparaten’. Koolhydraatarme voedingen worden omschreven als diëten met minder dan 230 g koolhydraten, al dan niet energiebeperkt. Die kunnen verder worden onderverdeeld in diëten met een zeer laag (minder dan 50 g), een laag (tussen 51 g en 129 g) en een gematigde (tussen 130 g en 230 g) hoeveelheid koolhydraten. Een dieet met zeer weinig koolhydraten wordt ook wel het ketogeen dieet genoemd.
Als onderdeel van een programma dat gericht is op gedragsverandering, blijkt dat elk dieet werkt. De verhouding tussen eiwitten, vetten en koolhydraten lijkt niet echt van invloed te zijn omdat de diëten onderling weinig verschillen in effectiviteit op ‘korte’ termijn (tot 1 jaar). Voor welke voedingsinterventie wordt gekozen, hangt dus mede af van  de persoonlijk situatie en voorkeur van de patiënt. Bovendien moet steeds  rekening worden gehouden met de nutritionele volwaardigheid van het dieet en de eventuele nadelige effecten. Focus op gedragsverandering en een gezonde eet- en leefstijl, gekenmerkt door minder calorieën, meer basisvoedingsmiddelen en meer plantaardige voedingsmiddelen, blijft de sleutel tot succes op lange termijn. Tot slot is er nood aan meer onderzoek op lange termijn (>1 jaar) om de effectiviteit van de voedingsinterventies nauwkeuriger te kunnen beoordelen.

Fysiek actief zijn én niet langdurig stilzitten hebben het sterkst risicoverlagende effect

Aan de hand van resultaten uit meta-analyses, liet Dr. Jan-Willem van Dijk zien dat matig tot sterk intensieve fysieke inspanning het risico op sterfte en chronische ziekten verlaagt en langdurig stilzitten het risico verhoogt.
Het gezondheidseffect van beweging is afhankelijk van de inspanningsdosis, uitgedrukt in MET (Metabolic Equivalent of Task), die wordt bepaald door de duur en de intensiteit van de activiteit. Hoe groter de inspanningsdosis, hoe groter het risicoverlagende effect. Een klein beetje fysieke activiteit is goed maar méér is beter! Dr. van Dijk legde uit dat iemand zowel fysiek actief als sedentair kan zijn (bv. een intensieve fysieke activiteit in de ochtend gevolgd door een zittend beroep doorheen de dag). Sedentair gedrag kan het positieve effect van fysieke activiteit (deels) onderdrukken, behalve indien de inspanningsdosis hoog genoeg is (vanaf 25 MET of meer dan 8 uur wandelen per week). Aangezien een dergelijke hoge inspanningsdosis niet voor iedereen haalbaar is, moet er naast bewegingsadvies ook meer worden gefocust op het doorbreken van langdurige zitperiodes. Regelmatig rechtstaan verlaagt dus al het risico en wordt nog effectiever als het wordt uitgebreid naar effectief bewegen. Deze en andere inzichten over het effect van beweging en langdurig stilzitten op het risico op sterfte en chronische ziekten zijn gebundeld in de nieuwe Nederlandse Beweegrichtlijnen 2017.

Plantaardige eiwitten kunnen de eiwitbehoefte dekken mits de nodige aandacht

“Meer plantaardige voedingsmiddelen eten en minder dierlijke”, zo luidt het advies van een duurzame voeding. Plantaardige voedingsmiddelen zijn minder goede eiwitbronnen omdat de kwaliteit (gehalte aan essentiële aminozuren) en de verteerbaarheid van plantaardige eiwitten lager is dan die van dierlijke eiwitten. Vandaar dat de dagelijks aanbevolen hoeveelheid eiwitten voor vegetariërs en veganisten respectievelijk 20 en 30 % hoger ligt dan voor omnivoren. Nina Van Den Broecke stelt op basis van recente literatuur vast dat een vegetarisch en veganistisch voedingspatroon kan voorzien in de eiwitbehoefte op voorwaarde dat de voeding voldoende energie bevat én men voldoende varieert in plantaardige eiwitbronnen. Bij risicogroepen zoals veganistische kinderen, ouderen en patiënten met een verhoogde eiwitbehoefte, is echter een individuele opvolging aangewezen om tekorten te voorkomen.

Moeten we afstappen van het principe ‘goede en slechte vetten’?

Prof. Dr. Theo Niewold, Hoogleraar Voeding en gezondheid KU Leuven departement Bio-Systemen, gaf aan dat de voedingsaanbevelingen voor vetten voornamelijk gebaseerd zijn op epidemiologisch onderzoek. Dit type onderzoek kent zowel sterktes als zwaktes. Het is bijvoorbeeld moeilijk om een causaal verband te leggen en er wordt vaak gebruik gemaakt van zelfrapportage wat de foutmarge verhoogt. Daarnaast is het ook beter dat onderzoek zich meer focust op gezondheidseffecten van voedingsmiddelen dan op die van hun afzonderlijke voedingsstoffen.
Volgens Prof. Niewold is het verhaal van de vetten in de voeding geen zwart-witverhaal. Dierlijke en plantaardige vetten/oliën bestaan bijvoorbeeld niet uit één vetzuur maar uit diverse groepen van vetzuren in verschillende verhoudingen. Dat betekent dat een bepaalde vetstof ook niet één specifieke ‘goede’ of ‘slechte’ eigenschap heeft maar meestal een combinatie van eigenschappen. Vandaar de toenemende focus op variatie in type vetstoffen (bv. (olijf)olie, margarine, boter) samen met richtlijnen over de te gebruiken hoeveelheid. Er moet dus minder gedacht worden in termen van “goede” en “slechte” vetten, maar eerder in termen van de gebruikte dosis. Het advies om de geschikte vetstof of olie te gebruiken in functie van de toepassing (bv. verhitting op hoge temperaturen), blijft eveneens van kracht.

Meer lezen en referenties

  • Snorgaard O, Poulsen GM, Andersen HK, et al. Systematic review and meta-analysis of dietary carbohydrate restriction in patients with type 2 diabetes. BMJ Open Diabetes Research and Care 2017;5. Beschikbaar via http://drc.bmj.com/content/5/1/e000354.
  • Van Hemelryck N, Mertens I, Van Gils C, Renaerts L, Weynants E, Vanhauwaert E, Declercq D, et al. Position Paper: Koolhydraatarme voeding bij diabetes type 2 – commissie voeding Diabetes Liga en Commissie Evidence-based Diëtiek VBVD; 2017. Beschikbaar via www.diabetes.be.
  • Lean M, Leslie W, Barnes W.S, et al. Primary care-led weight management for remission of type 2 diabetes (DiRECT): an open-label, cluster-randomised trial. The Lancet 2017.
  • Academy of Nutrition and Dietetics. Position of the Academy of Nutrition and Dietetics: Vegetarian Diets. J Acad Nutr diet 2016; 116 (12) :1970-1980.
  • Agnoli C, Baroni L, Bertini I, Ciappellano S, Fabbri A, Papa M, et al. Position paper on vegetarian diets from the working group of the Italian Society of Human Nutrition. Nutr Metab Cardiovasc Dis 2017; 27 (12): 1037-1052.
  • Liu AG, Ford NA, Hu FB, Zelman KM, Mozaffarian D, Kris-Etherton PM. A healthy approach to dietary fats: understanding the science and taking action to reduce consumer confusion. Nutr J. 2017; 16 (1):53.
  • Gezondheidsraad Nr. 2017/08. Beweegrichtlijnen 2017. Beschikbaar via https://www.gezondheidsraad.nl/nl/taak-werkwijze/werkterrein/preventie/beweegrichtlijnen-2017.